Dit verhaal gaat over Johannes Ludovicus Hulshof geboren op 10 juni 1817 in Bredevoort, gelegen in de provincie Gelderland. Ludovicus was de zoon van Joannes Franciscus Hulshof, landbouwer van beroep en Athe Aleida Kruip, zonder beroep. Beiden waren afkomstig uit het nabijgelegen Lichtenvoorde.
In zijn geboorteakte staat zijn naam beschreven als Johannes Ludovicus, maar in de meeste documenten staat hij bekend als Lodewijkus, Lodovicus of zelfs Louis. Daarom zullen we hem vanaf nu benoemen bij zijn tweede naam, als Ludovicus. Niet alleen zijn eigen naam, maar ook zijn geboorteplaats wijkt soms af. In zijn geboorteakte staat Bredevoort, net als in de meeste documenten. Een enkele keer staat er Aalten vermeld. In al deze gevallen gaat het om dezelfde persoon.
Op 19-jarige leeftijd, in 1836, werd Johannes ingeloot voor de nationale militie met het nummer 183. Dit nummer werd echter nooit opgeroepen, waardoor hij geen dienstplicht hoefde te vervullen. Uit de documenten van de nationale militie, waar altijd een signalement werd opgenomen, blijkt dat Johannes blond haar had, blauwe ogen en een lengte van ongeveer 1,68 meter.
Op 29-jarige leeftijd trad Ludovicus in het huwelijk met Maria Christina Joannes Rexink. Maria, geboren in Bocholt, Nordrhein-Westfalen, Duitsland, was op dat moment 25 jaar oud. Het huwelijk vond plaats zonder de aanwezigheid van Ludovicus’ ouders omdat zijn moeder in 1839 was overleden en zijn vader in 1845. Ook Maria’s vader was overleden, maar haar moeder, Theodora Lensink, een koopvrouw uit Bocholt, was wel aanwezig op deze bijzondere dag.
Wat direct opvalt in de huwelijksakte is het beroep van Ludovicus. Terwijl zijn vader en grootvader landbouwers waren, koos Ludovicus voor een ander pad en werd hij blauwverver. Een. blauwverver was iemand die kleding, vaak met behulp van de kleurstof indigo, blauw verfde. Dit ambacht was destijds van groot belang, omdat het verven van kleding goedkoper was dan het aanschaffen van nieuwe kleding. Blauwververs stonden bekend om hun vakmanschap en het ingewikkelde proces dat nodig was om stoffen, zoals linnen en wol, een diepe blauwe kleur te geven.
Het beroep van blauwverver was echter niet zonder gevaren. Het langdurige werken met kleurstoffen en chemicaliën kon schadelijk zijn voor de gezondheid. Indigo, de belangrijkste kleurstof, moest bijvoorbeeld in grote tonnen worden opgelost en gefermenteerd, wat een intensief en fysiek zwaar proces was. Blauwververs stonden urenlang te roeren in deze tonnen, vaak onder slechte arbeidsomstandigheden.
Hoewel we niet precies weten hoe zij elkaar hebben ontmoet, is het goed mogelijk dat Ludovicus via zijn werk als blauwverver in contact kwam met Bocholt. Deze stad had immers een rijke textieltraditie, en de kans is groot dat zijn ambacht hem in kringen bracht waar ook Maria of haar ouders als kooplieden bij betrokken waren. Het is ook mogelijk dat ze elkaar kenden van de omliggende dorpen, aangezien Bocholt dichtbij Lichtenvoorde ligt.
Een jaar na hun huwelijk, in 1847, werd hun eerste zoon, Johannes Bernardus Theodorus, geboren. Twee jaar later, in 1849, volgde hun tweede zoon, Bernardus Johannes Theodorus, die helaas op 15-jarige leeftijd overleed. In 1853 werd hun dochter Johanna Christina geboren, gevolgd door Johanna Francisca in 1855, die slechts vijf jaar oud werd.
Op 25 augustus 1856 raakte Ludovicus betrokken bij een gewelddadig incident met Nathan Solomon Heymans, een winkelier uit dezelfde stad. Die avond, op de terugweg van de markt ontmoetten de twee elkaar op de openbare weg van Aalten naar Lichtenvoorde, nabij de buurplaats De Kiefte.
Volgens Heymans werd hij plotseling aangevallen door Ludovicus, die hem op de grond wierp met de schreeuw: “Nu zal je ’t weiten”. Ludovicus drukte zijn knie op Heymans’ hoofd en probeerde het geld uit zijn zak te wringen. Heymans, die om hulp riep, verloor bij deze worsteling zijn zilveren horloge. Hij beweerde dat er een financieel geschil tussen hen bestond, waarbij Ludovicus onterecht vijf gulden en vijftig cent eiste, terwijl het slechts anderhalve gulden betrof.
Jacoba Jintink, een zestienjarige landbouwster, was getuige van het incident. Ze hoorde Heymans om hulp roepen en zag Ludovicus bovenop hem liggen, schreeuwend hoorde ze hem: “betaal mij schobbejak”. Nadat ze waren opgestaan, vertelde Heymans haar dat hij was aangevallen door Ludovicus. Verder verklaart ze dat er op grond “ene bos stroo en enig garen” lag.
Ludovicus verdedigde zichzelf voor de rechtbank door te verklaren dat hij Heymans slechts had gemaand om de vijf en een halve gulden die hij verschuldigd was. Volgens Ludovicus had Heymans hem toen bij de hals gegrepen, waarna hij uit zelfverdediging Heymans op de grond had geworpen.
Heymans werd nogmaals gehoord en “geeft te kennen: Dat hij niet verder naar zijn horlogie gezogt heeft. Wijl hij op den vlakken weg al bukkend zijn hoofd, dat hetzelve daar niet lag.”
De rechtbank, na het horen van alle getuigen en het overwegen van de bewijsmiddelen, vond Ludovicus schuldig aan mishandeling. Hij werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van één maanden, een boete van acht gulden en tot het betalen van de proceskosten.
In 1858 werd hun dochter Wilhelmina geboren, gevolgd door Aleida in 1861. Het gezin bleef groeien, en in 1866, toen Ludovicus 49 jaar oud was en Maria 45, werd hun jongste zoon, Bernardus Johannes, geboren. Hij kreeg de naam van zijn eerder overleden broertje, een gebruik dat in die tijd niet ongewoon was om de naam en herinnering binnen de familie voort te laten leven. Met zijn geboorte was het gezin compleet.
Op 12 juli 1865 raakte Ludovicus Hulshof opnieuw in conflict met de wet. Op deze dag hield hij zich bij de Roomse Kerk, waar de bisschop op bezoek was, niet aan de regels en raakte verwikkeld in een confrontatie met Jan Kolker, een 30-jarige rijksveldwachter. Een rijksveldwachter was een ordehandhaver in de kleinere gemeenten op het platteland. Hij had de taak om de wetten en regels te handhaven, evenals om de openbare orde te bewaken. Dit kon variëren van het handhaven van de openbare veiligheid tijdens evenementen tot het oplossen van kleine conflicten en het toezicht houden op illegale activiteiten. Rijksveldwachters waren vaak goed bekend met de gemeenschappen waarin ze werkten, wat hen in staat stelde om effectief op te treden tegen overtredingen.
Jan Kolker verklaart:
“Op den 12 July had ik de surveillance bij de Roomsche Kerk te Lichtenvoorde bij gelegenheid dat de Bisschop daar was: ik stond bij het hek en mogt niemand inlaten als die binnen hoog noodig hadden, soo als eenige personen die wegens aan de muzykanten tragten en eene vrouw welk hare parapluie uit de kerk moest hale, welke ik dan ook inliet. Hierna werd beklaagde toen toornig die mij toeriep, Kolken gij doet geen regt bleksemssche strontzak”
In modern Nederlands staat er:
“Op 12 juli had ik de surveillance bij de Roomse Kerk te Lichtenvoorde, ter gelegenheid van het bezoek van de bisschop. Ik stond bij het hek en mocht niemand binnenlaten, behalve degenen die er echt dringend moesten zijn, zoals enkele personen die iets met de muzikanten te maken hadden en een vrouw die haar paraplu uit de kerk moest halen. Die heb ik dan ook binnengelaten. Hierna werd de beklaagde woedend en riep mij toe: ‘Kolken, jij doet geen recht, bliksemsche strontzak!”
Ludovicus gaf het beledigen van de veldwachter toe toen hij door de president van de rechtbank werd ondervraagd. Het openbaar ministerie vorderde een boete van acht gulden en in geval van wanbetaling drie dagen gevangenisstraf. De rechtbank achtte het beledigende feit wettig en overtuigend bewezen, mede door de getuigenis van Jan Kolker en natuurlijk de bekentenis van Ludovicus zelf. Ludovicus werd inderdaad veroordeeld tot een boete van acht gulden, en in geval van wanbetaling, tot één dag gevangenisstraf.
Op 23 juli 1885 doen Antonij Wamelink, een 36-jarige schoenmaker, en Antonij Steenkamp, een 41-jarige kleermaker, aangifte van het overlijden van Ludovicus Hulshof. Ludovicus is op woensdag 22 juli ’s avonds om half 8 overleden op 68-jarige leeftijd.
Ludovicus gaf zijn vakmanschap als blauwverver door aan zijn zoon, die ook blauwverver werd. Deze familietraditie zorgde ervoor dat het vakmanschap van generatie op generatie werd doorgegeven, waardoor de naam van de familie in Lichtenvoorde verbonden bleef met het verversambacht.
Maria overlijdt bijna 5 jaar later dan Ludovicus, op 31 januari 1890. Ze werd 68 jaar.
Om de beste ervaringen te bieden, gebruiken we technologieën zoals cookies om apparaatgegevens op te slaan en/of te raadplegen. Door toestemming te geven voor deze technologieën kunnen we gegevens zoals surfgedrag of unieke ID's op deze site verwerken. Het niet geven van toestemming of het intrekken van toestemming kan een negatieve invloed hebben op bepaalde functies.